Belastingplan 2018 (per december 2017)

In het onderstaande overzicht staat het belastingplan voor 2018 weergegeven, zoals dit bekend is per 15 december 2017.

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen


Tweede en derde belastingschijf verhoogd
Het tarief in de tweede en derde belastingschijf in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen bedraagt 40,80%. Een belastbaar inkomen uit box 1 (inkomen uit werk en woning) tussen € 19.982 en € 67.072 valt in 2017 in deze tariefschijven. Kortom, het inkomen van de meeste mensen wordt tegen 40,80% belast. Volgend jaar wordt dit tarief verhoogd naar 40,85%.

Verhoging inkomensgrens hoogste tariefschijf maar tarief omlaag
Heeft u nu een belastbaar inkomen van meer dan € 67.072? Iedere euro die u meer verdient, wordt dan belast tegen 52% in plaats van 40,80%. Volgend jaar gaat deze inkomensgrens omhoog. U betaalt dan vanaf een belastbaar inkomen van € 68.507 over iedere euro het hoogste tarief in de inkomstenbelasting. Het tarief van deze hoogste schijf wordt wel verlaagd van 52% naar 51,95%.

Ook geen uitbetaling aanrechtsubsidie meer voor partners geboren vóór 1963
Sinds 2009 wordt de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner (de zogenoemde ‘aanrechtsubsidie’) afgebouwd. Deze afbouw geldt alleen voor partners die zijn geboren na 1 januari 1963. Hierin komt met ingang van 1 januari 2019 verandering. Dan geldt de afbouw ook voor de minstverdienende partners die vóór 1963 zijn geboren. In 2023 is de aanrechtsubsidie geheel afgebouwd voor alle leeftijden.

Ouderenkorting omhoog maar introductie geleidelijke afbouw
De ouderenkorting bedraagt in 2018 € 1.418 bij een verzamelinkomen (box 1, 2 en 3 samen) van niet meer dan € 36.346. Bij een hoger verzamelinkomen is de korting nog maar € 72. Vanaf 1 januari 2019 komt daar € 160 bij, maar wordt ook gestart met het geleidelijk afbouwen van deze korting tot nul vanaf een bepaald inkomen.

Minder energie-investeringsaftrek
Het percentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) gaat volgend jaar omlaag van 55% naar 54,5%. Investeer daarom nog dit jaar. U kunt de EIA krijgen als u minimaal € 2.500 investeert in een bedrijfsmiddel dat vermeld staat op de Energielijst. Die lijst vindt u op de site RVO.nl. Hier moet u de investering ook aanmelden binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting.

Herinvesteer op tijd
Wanneer u nog een herinvesteringsreserve heeft die dit jaar gebruikt moet worden, investeer dan nog in 2017. Dat is het geval als 2017 het derde jaar is na het jaar waarin u de herinvesteringsreserve vormde. Hiermee voorkomt u dat u de reserve aan de belastbare winst moet toevoegen.

Spreid uw investeringen voor meer KIA
Voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) is het bovendien zinvol om te bekijken of u bepaalde investeringen nog in 2017 moet doen of dat het juist gunstiger is om deze door te schuiven naar 2018. Het spreiden van investeringen kan u meer KIA opleveren. Investeert u tussen € 2.300 en € 56.192, dan krijgt u hierover 28% KIA. U ontvangt voor een totale investering tussen € 56.192 en € 104.059 een vast bedrag van € 15.734. Voor investeringen van in totaal tussen € 104.059 en € 312.176 neemt dit vaste bedrag geleidelijk af. Boven een investeringsbedrag van € 312.176 krijgt u geen KIA meer. Investeert u meer, dan is het dus altijd voordeliger om de investeringen over 2 jaren te spreiden.

Pas op voor de desinvesteringsbijtelling
Heeft u voor uw investeringen investeringsaftrek genoten? Voorkom dan een desinvesteringsbijtelling. U krijgt hiermee te maken als u voor een bedrijfsmiddel investeringsaftrek heeft geclaimd, maar u dit bedrijfsmiddel verkoopt binnen 5 jaar na het begin van het jaar, waarin u de aftrek had geclaimd. Ook als u binnen die termijn een handeling verricht die met verkoop gelijk te stellen is – u brengt bijvoorbeeld een bedrijfsmiddel over naar uw privévermogen – krijgt u met de desinvesteringsbijtelling te maken. Check daarom altijd eerst de investeringsdatum, voordat u tot desinvesteren overgaat. Wellicht moet u dat pas in 2018 doen.

Voorkom dat oude verliezen niet meer verrekenbaar zijn
Heeft u in het verleden verliezen geleden? In dat geval kunt u die verrekenen met winsten van de voorafgaande 3 jaar of met de winsten van de 9 volgende jaren. Dit betekent dat verliezen uit 2008 na 31 december 2017 niet meer verrekenbaar zijn. Door tijdig actie te ondernemen, kunt u (een deel van) de verliezen wellicht toch nog verrekenen. Dat kan bijvoorbeeld door stille reserves in bedrijfsmiddelen te realiseren. Uw adviseur kan voor u onderzoeken welke mogelijkheden u nog heeft.

Nog dit jaar toevoegen aan de oudedagsreserve
De verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar heeft ook tot gevolg dat u vanaf 1 januari 2018 minder fiscaalvriendelijk pensioen kunt opbouwen in de fiscale oudedagsreserve. Voldoet u aan het urencriterium en had u op 1 januari 2017 de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt? In dat geval kunt u 9,8% van uw winst aan een oudedagsreserve toevoegen met een maximum van € 8.556. Let op, op deze dotatie komt eerst nog in mindering de ten laste van de winst gekomen pensioenpremie. Bovendien kunt u toevoegen voor zover uw ondernemingsvermogen aan het einde van het jaar meer bedraagt dan de oudedagsreserve aan het begin van het jaar. Doteer dit jaar nog maximaal aan uw oudedagsreserve. In 2018 wordt het percentage verlaagd tot 9,44% en het maximum tot € 8.246.

Lager eigenwoningforfait

De bijtelling voor het bezit van een eigen woning in box 1 – het zogenoemde  eigenwoningforfait – gaat in 2018 omlaag van 0,75% naar 0,70% voor eigen woningen met een WOZ-waarde tussen de € 75.000 en € 1.060.000.

Afbouw aftrek geen of kleine eigenwoningschuld
De regeling waarbij u geen eigenwoningforfait hoeft bij te tellen bij uw inkomen als u geen of slechts een kleine hypotheek heeft, wordt vanaf 2019 stapsgewijs in 30 jaar afgeschaft.

Einde restschuldregeling eigen woning nadert
De restschuldregeling maakt het mogelijk dat u als u uw woning verkoopt voor minder dan uw hypothecaire lening – en u dus een restschuld heeft – de rente over die restschuld mag aftrekken van uw box-1-inkomen gedurende maximaal 15 jaar. De restschuld is echter eigenlijk geen eigenwoningschuld in box 1 waarvan de rente aftrekbaar is, maar een schuld in box 3 waarvan de rente niet aftrekbaar is. De restschuldregeling maakt dat dus – onder voorwaarden – toch mogelijk. De restschuld hoeft niet te worden afgelost. Na de periode van 15 jaar renteaftrek verhuist de schuld alsnog naar box 3. De restschuldregeling geldt alleen voor restschulden die zijn ontstaan in de periode 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017 en wordt daarna niet verlengd. Tot het eind van het jaar kunt u dus nog van de restschuldregeling gebruikmaken. Voor restschulden die uiterlijk zijn ontstaan op 31 december 2017 eindigt de renteaftrek uiterlijk op 1 januari 2033. Restschulden die op of na 1 januari 2018 ontstaan, zijn schulden in box 3 waarvan de rente niet aftrekbaar is.

Tip
Moet of wilt u verhuizen, maar levert uw woning waarschijnlijk minder op dan uw hypotheekschuld? Doe er dan alles aan om uw woning nog dit jaar te verkopen. U heeft dan nog 15 jaar aftrek van de rente op uw restschuld.

Anticipeer op verdere tariefsverlaging aftrek kosten eigen woning
Het maximale tarief waartegen u de (rente)kosten van de eigen woning kunt aftrekken gaat sinds 2014 jaarlijks met 0,5% omlaag en bedraagt nu 50%. Dit gebeurt totdat het tarief is teruggebracht tot het tarief van de derde belastingschijf (in 2017: 40,80%). De aftrek in de hoogste schijf gaat in 2018 omlaag naar 49,5%.

Tip
U mag in 2017 de hypotheekrente over de periode 1 januari tot 1 juli 2018 vooruitbetalen en in 2017  in aftrek brengen. Doe dit wel in overleg met uw bank. Er zijn banken die hier niet aan meewerken. Als het kan, laat dan de vooruitbetaling schriftelijk vastleggen. U heeft dan tegenover de Belastingdienst een bewijs van betaling.

Verhuur niet verkochte woning nog even uitstellen of niet
Overweegt u om uw niet verkochte eigen woning tijdelijk te verhuren? In dat geval kan het verstandig zijn om dit over de jaarwisseling heen te tillen. De woning en de hypotheek gaan namelijk tijdens de verhuurperiode tot uw box 3-vermogen behoren. De peildatum voor de box 3-heffing is 1 januari van het kalenderjaar. Heeft u nog overwaarde op uw niet verkochte woning en stelt u de aanvang van de verhuur uit tot na de jaarwisseling, dan bespaart u dus box-3-belasting. Is uw hypotheekschuld echter hoger dan de waarde van uw woning, dan staat uw woning ‘onder water’. In dat geval kunt u de verhuur nog dit jaar starten zonder nadelige gevolgen voor de box-3-heffing.

Stel levering van uw verkochte woning nog even uit of niet
Verkoopt u dit najaar uw eigen woning met een overwaarde maar heeft u aan het eind van het jaar nog geen nieuwe eigen woning gekocht? U doet er dan verstandig aan om de levering van uw verkochte woning uit te stellen tot na 1 januari 2018. Zolang de levering nog niet heeft plaatsgevonden, blijft de woning namelijk tot uw box-1-vermogen behoren. De overwaarde hoeft u dan op de peildatum 1 januari 2018 niet op te nemen in de rendementsgrondslag van box 3. Staat uw woning ‘onder water’? In dat geval heeft de levering in 2017 geen nadelige gevolgen voor de box-3-heffing in 2018.

Vervallen minimumlooptijden eigenwoningpolissen nu wettelijk geregeld
De minimumlooptijden van 15 en 20 jaar voor het belastingvrij in box 1 benutten van een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning (KEW) of een spaarrekening eigen woning (SEW) of een beleggingsrecht eigen woning (BEW) zijn op 1 april jl. vervallen. U moet de vrijgestelde uitkering uit een KEW, BEW of SEW wel gebruiken voor de aflossing van uw eigenwoningschuld. Het vervallen van de minimumlooptijden is het gevolg van een aangenomen amendement bij de Belastingplannen van 2017. Vanaf 1 januari 2018 krijgt deze regeling een wettelijke grondslag.

Ook voor oude kapitaalverzekeringen
Het vervallen van de minimumlooptijden geldt overigens ook voor kapitaalverzekeringen die zijn afgesloten tussen 1 januari 1992 en 14 september 1999. De uitkering van deze kapitaalverzekeringen hoeft echter niet te worden aangewend voor de aflossing van een eigenwoningschuld. Dat was al zo en dat blijft dus zo.

Let op
Het bovenstaande is een fiscaal verhaal. U kunt echter van deze fiscale mogelijkheid alleen gebruikmaken als uw bank of verzekeraar hieraan wil meewerken. Zij moeten immers toestemming verlenen aan het vervroegd aflossen. Er is met banken en verzekeraars afgesproken dat zij u concreet infomeren over de gevolgen die het benutten van de vrijstelling door het vervallen van de minimumlooptijden voor u heeft. Zo is het aflossen op een KEW meestal niet voordelig. Het is sowieso verstandig om een financieel adviseur in te schakelen als u overweegt om van het vervallen van de minimumlooptijden gebruik te maken. Hij/zij kan precies de gevolgen berekenen in uw concrete geval.

Een jaar langer aftrek scholingsuitgaven
U kunt onder voorwaarden scholingsuitgaven in aftrek brengen in uw aangifte voor de inkomstenbelasting. Deze aftrek zou vanaf 2018 worden afgeschaft en worden vervangen door een nieuwe niet-fiscale uitgavenregeling in de vorm van scholingsvouchers. De invoering van deze nieuwe regeling vergt echter toch meer tijd dan eerst werd gedacht. Daarom wordt de bestaande aftrek van scholingsuitgaven nog een jaar langer voortgezet.

Ook een jaar langer aftrek uitgaven monumentenpanden
Ook de vervangende subsidieregeling voor de aftrek uitgaven voor monumentenpanden wordt pas op 1 januari 2019 ingevoerd. U kunt daarom ook in 2018 de onderhoudskosten aan uw monumentenpand nog in aftrek brengen in uw aangifte inkomstenbelasting. De aftrek bedraagt 80% van de betaalde onderhoudskosten. Dit geldt zowel voor monumentenpanden die u als eigen woning in gebruik heeft als voor box-3-panden.

Vergeet niet uw lijfrentepremie te betalen
Heeft u een pensioentekort, dan kunt u hiervoor een aanvullend inkomen regelen. Bijvoorbeeld door bij een verzekeraar een lijfrentepolis te sluiten of bij een bank een lijfrentebankspaarproduct. De lijfrentepremie die u in 2017 heeft betaald, kunt u aftrekken in uw aangifte inkomstenbelasting 2017 die u volgend jaar indient bij de Belastingdienst. Het is niet meer mogelijk om na afloop van het jaar de lijfrentepremie te betalen en dan de aftrek terug te wentelen naar het voorafgaande jaar.

Minder lijfrenteopbouw in de jaarruimte
De verhoging van de pensioenrichtleeftijd heeft ook tot gevolg dat u vanaf 1 januari 2018 minder fiscaalvriendelijk lijfrente kunt opbouwen. Voor ieder jaar dat de pensioenrichtleeftijd met 1 jaar wordt verhoogd, wordt namelijk het percentage voor lijfrenteopbouw in de jaarruimte met 0,5% verlaagd. Het percentage in de formule voor de berekening van de lijfrentepremieaftrek in de jaarruimte wordt per 1 januari 2018 verlaagd van 13,8% naar 13,3%. Daarnaast is voor de bepaling van de jaarruimte ook de pensioenaangroei (factor A op uw pensioenoverzicht) van belang. Ook de vermenigvuldigingsfactor van de jaarlijkse pensioenaangroei wordt verlaagd van factor 6,5 naar 6,27.

Tijdelijke maatregel terugbetaling te veel betaalde lijfrentepremies eindigt
De afgelopen jaren zijn de mogelijkheden ingeperkt om betaalde lijfrentepremies af te trekken. Het kan daarom gebeuren dat u meer premie heeft betaald, dan dat u nog in aftrek kunt brengen, bijvoorbeeld omdat u al jaren dezelfde premie betaalt en er vanuit gaat dat die premie nog steeds aftrekbaar is. Wilt u eigenlijk alleen lijfrentepremie betalen voor zover deze aftrekbaar is, dan kunt u gebruikmaken van een tijdelijke regeling om de ‘te veel’ betaalde lijfrentepremies zonder belastingheffing terug te laten betalen door uw verzekeraar of bank. Deze tegemoetkoming geldt voor betalingen die u heeft gedaan tot en met 31 december 2016. Voordat u uw bank of verzekeraar om terugbetaling kunt vragen, moet de Belastingdienst eerst verklaren dat u daadwerkelijk te veel premie heeft betaald. U heeft tot uiterlijk 31 december 2017 de tijd om daartoe een verzoek in te dienen bij de Belastingdienst. Met de verklaring van de Belastingdienst vraagt u vervolgens uw bank of verzekeraar om de terugbetaling.

Extra aftrek culturele giften wordt permanent
U mag giften aan culturele instellingen met een ANBI-status tot maximaal € 5.000 met een factor 1,25 vermenigvuldigen voor de aftrek in de inkomstenbelasting. Deze multiplier zou per 1 januari 2018 vervallen, maar daar wordt op teruggekomen. De multiplier krijgt vanaf 2018 een permanente status.

Tip
U kunt alleen van deze extra aftrekmogelijkheid gebruikmaken als de culturele instelling een ANBI is. Check dus eerst in het ANBI-register op de site van de Belastingdienst of de culturele instelling een ANBI-status heeft.

Minder belasting betalen in box 3
Voor de heffing in box 3 geldt slechts één peildatum: 1 januari van het kalenderjaar. De waarde van uw vermogen op 1 januari 2018 verminderd met uw heffingsvrije vermogen is dus bepalend voor de inkomstenbelasting die u dat jaar in box 3 verschuldigd bent. Volgend jaar wordt uw heffingsvrije vermogen verhoogd van € 25.000 naar € 30.000 (per belastingplichtige). Bovendien wordt er meer aangesloten bij het werkelijk rendement op uw spaargeld. Daardoor wordt het fictief rendement waarover u box 3-heffing moet betalen lager. In 2018 bedragen de fictieve rendementspercentages:

Belastbaar vermogen (na inflatiecorrectie) – Fictief rendementspercentage
€ 30.000 – € 100.800 – 2,02%
€ 100.800 – € 1.008.000 – 4,52%
Boven € 1.008.000 – 5,38%

Hoe groter uw vermogen is, des te meer rendement u geacht wordt te maken en dus hoe meer box-3-heffing u moet betalen. Het kan dus verstandig zijn om uw box-3-vermogen te verlagen. Dat kan bijvoorbeeld door de geplande aankoop van dure goederen die niet tot box 3 worden gerekend (denk aan een auto, boot of kunstwerk), nog dit jaar te doen.

Belastingschulden betalen
Belastingschulden kunt u niet aftrekken van uw vermogen in box 3. Maar betaalt u deze schulden vóór 31 december 2017, dan wordt uw vermogen in box 3 wel lager en bespaart u dus box-3-heffing. Een uitzondering wordt gemaakt voor de verschuldigde erfbelasting. Die schuld is wel aftrekbaar van uw box-3-vermogen.

Vermogen in box 3 fiscaal voordelig verdelen
Tot 1 januari 2017 maakte het niet veel uit bij welke partner het vermogen in box 3 werd aangegeven. Er zijn echter sindsdien verschillende fictieve rendementen in box 3 ingevoerd. Die lopen op naarmate u meer box-3-vermogen heeft (zie de tabel hiervoor). Over de fictieve rendementen betaalt u 30% box-3-heffing. Het is nu dus wel van belang om vermogen tussen u en uw partner te verdelen. Heeft u bijvoorbeeld een box-3-vermogen van € 200.000, dan is het verstandig om dit over u beiden gelijkelijk te verdelen, zodat bij ieder van u het fictief rendementspercentage van 2,02% van toepassing is. Verdeelt u niet, dan bedraagt dat percentage 4,52% voor het box 3-vermogen boven € 100.800.

Onderzoek de alternatieven
Bedraagt uw gezamenlijk box-3-vermogen minder dan € 201.600? In dat geval leidt de invoering van het 3-schijvensysteem in box 3 (zie tabel hiervoor) tot een belastingverlaging. Voor de grotere vermogens betekent het nieuwe systeem vaak een belastingverzwaring. Het is daarom zinvol om te kijken of er alternatieven zijn. Zo kunt u misschien beter uw eigenwoningschuld aflossen, of uw vermogen overbrengen naar een open fonds voor gemene rekening of misschien wel naar een BV? Het is de moeite waard om dit eens te laten uitzoeken.

Inkeerregeling vervalt deels
Heeft u verzwegen inkomen of vermogen, dan kunt u tot nu toe een boete voorkomen wanneer u binnen twee jaar nadat u een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan, dit inkomen of vermogen alsnog opgeeft aan de Belastingdienst. Deze inkeerregeling wordt volgend jaar afgeschaft voor verzwegen buitenlands inkomen uit sparen en beleggen. Belastingplichtigen krijgen in dat geval altijd een boete. Inkeren kan na 1 januari 2018 nog wel aanleiding zijn om de boete te matigen. De huidige inkeerregeling blijft bestaan voor de aangiften die vóór 1 januari 2018 zijn gedaan of hadden moeten worden gedaan. Dat geldt ook voor informatie, gegevens of aanwijzingen die vóór 1 januari 2018 hadden moeten zijn verstrekt.

Pleegkind op verzoek geen fiscaal partner meer
Pleegkinderen worden onder de huidige regeling na hun 18de verjaardag automatisch fiscaal partner met hun verzorgende alleenstaande ouder, als er ook een minderjarig eigen kind op hetzelfde woonadres staat ingeschreven. Dit heeft gevolgen voor de IB en het recht op toeslagen. Als u in die situatie verkeert en u wilt die gevolgen niet, dan kunt u samen verzoeken om niet als fiscale partners te worden aangemerkt. Met deze maatregel wordt het niet-eigen kind voor wie op enig moment een pleegvergoeding of kinderbijslag is ontvangen, gelijk behandeld als een eigen kind tot 27 jaar. Onlangs is bovendien goedgekeurd dat u ook nu al kunt verzoeken om niet als fiscale partners te worden aangemerkt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2017.

Tip
Controleer of het verbreken van het fiscaal partnerschap inderdaad fiscaal voordelig is voor u en uw pleegkind. Dit is namelijk niet per definitie zo. Het verbreken van het partnerschap kan meer toeslag opleveren, maar mogelijk ook meer inkomstenbelasting tot gevolg hebben, bijvoorbeeld door een lagere box-3-vrijstelling.

Vennootschapsbelasting

Toch geen verlenging tariefschijven vennootschapsbelasting
De verlenging van de eerste tariefschijf (20%) van de vennootschapsbelasting (Vpb) van € 200.000 naar € 250.000 gaat volgend jaar niet door. Maar het nieuwe kabinet heeft wel toegezegd dat de Vpb-tarieven vanaf 2019 omlaag gaan. Het 20%-tarief gaat stapsgewijs in drie jaar naar 16% en het 25%-tarief naar 21%. Het is dus interessant om winst uit te stellen, bijvoorbeeld door een voorziening groot onderhoud te vormen of een garantievoorziening. Ook kunt u bepaalde kosten activeren, zoals onderzoeks- en ontwikkelingskosten. Wij beoordelen graag de mogelijkheden die uw BV heeft.

Extra aftrek culturele giften wordt permanent
Ook bedrijven kunnen gebruikmaken van de multiplier voor de aftrek van giften aan culturele instellingen met een ANBI-status. Culturele giften mogen voor de aftrek in de vennootschapsbelasting tot maximaal € 5.000 met een factor 1,5 worden vermenigvuldigd. Ook deze multiplier zou per 1 januari 2018 vervallen, maar krijgt nu een permanente status.

Hoger Vpb-tarief voor innovatiebox
Bent u een innovatieve ondernemer? Sinds 2010 kunt u dan gebruikmaken van de innovatiebox. Kort gezegd komt de innovatiebox erop neer dat voordelen uit octrooien of immateriële activa waarvoor S&O-afdrachtvermindering (loonkostensubsidie) is verkregen, effectief tegen 5% Vpb worden belast. Dit tarief gaat omhoog naar effectief 7%.

Geen aangifte vennootschapsbelasting: kies voor vrijstelling dividendbelasting
Een Nederlandse of buitenlandse rechtspersoon die geen aangifte hoeft te doen voor de vennootschapsbelasting, kan vanaf 2018 kiezen voor toepassing van een vrijstelling voor de dividendbelasting als aan deze rechtspersoon dividend wordt uitgekeerd. De uitkerende vennootschap houdt dan geen dividendbelasting in. Nu kunt u alleen om teruggaaf verzoeken van de dividendbelasting die de uitkerende vennootschap heeft ingehouden.

Herfinancieren hypotheek bij uw BV
Heeft u in privé een eigenwoningschuld met een hoge rente en heeft uw BV overtollige liquiditeiten? In dat geval kan het herfinancieren van de bankschuld bij uw eigen BV fiscaal voordelig zijn. Zorg wel dat uw eigenwoninglening op zakelijke afspraken is gebaseerd. Vraag uw adviseur om uit te zoeken of herfinanciering ook voor u voordelig is.

Zorg dat het liquidatieverlies in 2017 aftrekbaar is
Wordt een deelneming ontbonden, dan ontstaat mogelijk een liquidatieverlies. Een liquidatieverlies is onder voorwaarden aftrekbaar van de winst. Eén daarvan is dat de vereffening voltooid moet zijn. Wilt u het liquidatieverlies nog in 2017 in aftrek brengen, zorg dan dat de vereffening in 2017 is afgerond.

Tip
Wilt u in 2018 uw BV liquideren? In dat geval kunt u in een aandeelhoudersbesluit vóór 31 december 2017 vastleggen dat u het boekjaar wilt verlengen tot de liquidatiedatum. U hoeft dan maar één aangifte vennootschapsbelasting te (laten) doen over het boekjaar 2017 tot en met de liquidatiedatum.

Voorkom dat oude verliezen niet meer verrekenbaar zijn
Heeft u in het verleden verliezen geleden, dan kunt u die verrekenen met winst van het voorafgaande jaar of met de winsten in de negen volgende jaren. Dit betekent dat verliezen uit 2008 na 31 december 2017 niet meer verrekenbaar zijn. Door tijdig actie te ondernemen, kunt u (een deel van) de verliezen wellicht toch nog verrekenen. Dat kan bijvoorbeeld door stille reserves in bedrijfsmiddelen te realiseren. Uw adviseur kan voor u onderzoeken welke mogelijkheden u nog heeft.

Tip
Het nieuwe kabinet wil de voorwaartse verliesverrekening terugbrengen van negen tot zes jaar. Het is nog niet duidelijk of en wanneer dit gaat gebeuren, maar u doet er verstandig aan oude verliezen zo veel als mogelijk te verrekenen.

Voorkom bijbetaling vennootschapsbelasting
Laat een reële inschatting maken van de verschuldigde vennootschapsbelasting in 2018, zodat u niet een te lage voorlopig aanslag voor de vennootschapsbelasting krijgt opgelegd. Als u na afloop van het jaar vennootschapsbelasting blijkt te moeten bijbetalen, dan loopt u het risico daarover – bij de huidige rentestand – 8% belastingrente in rekening gebracht te krijgen.

Loonheffingen

Handhaving Wet DBA verder uitgesteld tot 1 juli 2018
De handhaving van de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) is verder uitgesteld tot in ieder geval 1 juli 2018. U hoeft als opdrachtgever en opdrachtnemer daardoor geen boetes of naheffingen te vrezen, wanneer achteraf wordt vastgesteld dat er sprake is van een dienstbetrekking. Oorspronkelijk was de handhaving van de Wet DBA opgeschort tot 1 januari 2018.

Van uitstel komt afstel?
Kabinet Rutte III wil de Wet DBA afschaffen. Er is een alternatief bedacht dat nog moet worden uitgewerkt in een wetsvoorstel en nog door het parlement moet worden goedgekeurd. Daarom volgen hierna alleen de hoofdlijnen van dit alternatief. Dat komt erop neer dat er altijd sprake is van een arbeidsovereenkomst bij een laag uurtarief in combinatie met een langere duur van de overeenkomst (langer dan 3 maanden) of een laag uurtarief in combinatie met reguliere bedrijfsactiviteiten. Een laag tarief is minder dan 125% van het wettelijk minimumloon (Wml). Dat komt neer op tussen € 15 en € 18 per uur.

Keuzemogelijkheid
Is er sprake van een hoog uurtarief (boven € 75) in combinatie met een kortere duur van de overeenkomst (korter dan een jaar) of is er een hoog uurtarief in combinatie met niet-reguliere bedrijfsactiviteiten? In dat geval wordt er een keuzemogelijkheid -‘opting out’- ingevoerd voor de loonbelasting en de werknemersverzekeringen. U kiest er dan als zzp’er voor om niet verzekerd te zijn voor de werknemersverzekeringen.

Webmodule
Bent u de opdrachtgever? U kunt dan een ‘opdrachtgeversverklaring’ krijgen voor zzp’ers boven het lage uurtarief (meer dan 125% Wml). Daartoe vult u op een webmodule vragen in over de aard van de werkzaamheden. Die verklaring geeft vooraf vrijwaring van loonheffing en premies werknemersverzekeringen, tenzij u de webmodule niet naar waarheid heeft ingevuld. Ook wordt het begrip ‘gezagsverhouding’ verduidelijkt en zal deze voortaan meer worden getoetst op basis van de feiten in plaats van de formele omstandigheden.

Minimumloon voor opdrachtnemers
Bent u een opdrachtnemer die werkt op basis van een overeenkomst van opdracht? U heeft dan geen arbeidsovereenkomst, maar u voldoet ook niet aan de voorwaarden van het zelfstandig ondernemerschap. Om uitbuiting te voorkomen moet uw opdrachtgever u vanaf 1 januari 2018 ten minste het wettelijk minimumloon betalen voor uw werkzaamheden. Werkt u op basis van een aanneem-, uitgeef- of vervoersovereenkomst? Ook dan moet uw opdrachtgever u vanaf 1 januari 2018 ten minste het wettelijk minimumloon betalen.

Uitbetalen en uitruilen overuren
U moet vanaf 1 januari 2018 alle werknemers die meer werken dan de normale arbeidsduur in een bedrijfstak (meestal 36, 38 of 40 uur per week) ook voor dat overwerk het minimumloon betalen. Als een werknemer normaliter bijvoorbeeld 40 uren per week werkt en in een week 5 uren overwerkt, moet tenminste 45 maal het betreffende wettelijk minimumuurloon worden betaald. Daarnaast gaan vanaf 1 januari 2018 nieuwe regels gelden voor het uitruilen van loon voor overuren die tegen het wettelijk minimumloon worden betaald. Zo mag u het overwerkloon in bepaalde situaties niet meer geheel of gedeeltelijk uitruilen tegen andere arbeidsvoorwaarden (de zogenoemde cafetariaregeling of ET-regeling). Zo kan dan bijvoorbeeld belast overwerkloon dat wordt uitbetaald tegen het wettelijk minimumloon, niet meer worden uitgeruild tegen onbelaste vergoedingen of verstrekkingen, zoals voor huisvesting.

Let op
Een cafetariaregeling is en blijft wel mogelijk voor uren en loon boven het wettelijke minimumloon.

Wat kan nog wel vanaf 1 januari 2018?
Wat vanaf 1 januari 2018 nog wel kan, is dat u met uw werknemers vooraf schriftelijk overeenkomt dat de overuren die tegen het wettelijk minimumloon worden betaald, worden uitgeruild tegen een compensatie in vrije tijd. Die vrije tijd moet dan wel uiterlijk vóór 1 juli van het volgende jaar worden opgenomen, of – als dat niet is gebeurd – moet de compensatie in de eerste betalingstermijn na 1 juli van het volgende jaar giraal zijn uitbetaald.

Let op
Vanaf 1 januari 2019 wordt deze uitruil tegen een compensatie in tijd verder beperkt. Dat kan dan alleen nog als deze mogelijkheid is opgenomen in een cao. Als dat niet is gebeurd, dan moet u de overuren tegen het wettelijk minimumloon uitbetalen aan de werknemer.

Gevolgen voor vakantietoeslag
Dat u ook overuren tegen het wettelijk minimumloon moet uitbetalen, heeft ook gevolgen voor de vakantietoeslag. Die bent u vanaf 1 januari 2018 ook over overwerk verschuldigd. Er is geen overgangsregeling getroffen, waardoor u voor overwerk dat vóór 1 januari 2018 is verricht, na 1 januari 2018 vakantietoeslag verschuldigd bent. U kunt dit voorkomen door het overwerk vóór 1 januari 2018 uit te betalen of te zorgen dat uw werknemers de overwerkuren opnemen door minder te werken.

Nieuwe regels stukloon
U moet vanaf 1 januari 2018 aan werknemers die stukloon ontvangen ook ten minste het wettelijk minimumloon betalen. Dat moet voorkomen dat (minder snel werkende) werknemers minder loon verdienen dan het wettelijk minimumloon. Er wordt wel een uitzondering gemaakt voor specifieke werkzaamheden in een bedrijfstak. Daarvoor kan een verzoek worden ingediend bij de Stichting van de Arbeid om een stukloonnorm vast te stellen. De stukloonnorm houdt in dat het loon wordt bepaald door de gemiddelde tijd die nodig is voor de arbeid per stuk.

Voorkom verrassingen bij de jaarafrekening werkkostenregeling
In januari 2018 moet u beoordelen of u in 2017 de vrije ruimte heeft overschreden. De vrije ruimte bedraagt 1,2% van het totale fiscale loon. Blijft het totale eindheffingsloon binnen de vrije ruimte, dan hoeft u geen eindheffing aan te geven en te betalen. Wordt de vrije ruimte overschreden, dan betaalt u 80% eindheffing over het verschil tussen de vrije ruimte en het totale eindheffingsloon. De eindheffing wordt aangegeven in de eerste loonaangifte van 2018. U kunt de eindheffing voorkomen door tussentijds te controleren of u de vrije ruimte niet overschrijdt. Heeft u al in 2017 eindheffing betaald? U kunt dan achteraf te veel of te weinig eindheffing hebben betaald. U corrigeert dit ook in de loonaangifte over het eerste tijdvak van 2018.

Aanwijzen in 2017
U komt alleen voor een vrijstelling binnen de vrije ruimte in aanmerking als u de vergoeding of verstrekking aanwijst als eindheffingsbestanddeel. In de loonaangifte over het eerste tijdvak in 2018 kunt u in de vrije ruimte alleen de vergoedingen en verstrekkingen opnemen die u in 2017 als eindheffingsloon heeft aangewezen. De Belastingdienst neemt gedurende het kalenderjaar aan dat zo’n aanwijzing heeft plaatsgevonden als de vergoeding of verstrekking niet tot het loon van de werknemer is gerekend. Ontdekt de Belastingdienst de aanwijzing buiten het kalenderjaar, dan zal de vergoeding of verstrekking worden beschouwd als belast loon van de werknemer. De vrije ruimte is dan niet alsnog van toepassing.

Let op!
Ook als u gebruikmaakt van de zogenoemde gerichte vrijstellingen, bijvoorbeeld voor reiskosten, moet u deze vergoeding vooraf aanwijzen als eindheffingsbestanddeel. Of u een vergoeding en/of verstrekking heeft aangewezen als eindheffingsbestanddeel, moet blijken uit uw administratie.

Vanaf 2018 gunstige optieregeling voor werknemers start-up
Bent u directeur- grootaandeelhouder (DGA) van een innovatieve start-up? U mag dan sinds dit jaar voor het gebruikelijk loon volstaan met het wettelijk minimumloon. U moet hiervoor een S&O-verklaring hebben en maximaal 5 jaar inhoudingsplichtige zijn voor de loonbelasting en hiervan maximaal al 2 jaar een S&O-verklaring hebben gehad. Voor uw werknemers is er vanaf 2018 een gunstige optieregeling. Een werknemer heeft met opties voordeel bij waardestijging van de onderneming. De optie is belast wanneer deze wordt uitgeoefend. U hoeft dan slechts 75% van de opbrengst tot een maximum van € 50.000 als loon te belasten. Een voordeel dus van maximaal € 12.500 voor uw werknemer.

Vereenvoudiging afdrachtvermindering S&O
Maakt u gebruik van de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O)? Tot nu toe moet u dan steeds een afzonderlijke mededeling doen per S&O-verklaring. Daarin komt verandering. Vanaf 1 januari 2018 kunt u de mededeling van uren, kosten en uitgaven voor een S&O-verklaring over alle in een kalenderjaar afgegeven S&O-verklaringen gezamenlijk doen.

Doe de sectorcheck
De Belastingdienst deelt uw bedrijf in een bepaalde sector in voor de sociale verzekeringspremies. U betaalt in de ene sector meer premie dan in de andere sector. Het is dus van groot belang dat u in de juiste sector bent ingedeeld. Wijzigen uw bedrijfsactiviteiten, dan is de kans groot dat uw bedrijf in een andere sector moet worden ingedeeld. In de praktijk blijkt dat de sectorindeling vaak niet juist is. Laat daarom de sectorindeling controleren. Het kan u veel premie besparen als u in een sector wordt ingedeeld met een lagere premie. Bovendien bespaart u boetes en naheffingen als blijkt dat u in een andere sector moet worden ingedeeld en juist meer premie moet betalen.

Hoger maximumbijdrageloon en bijdragen Zvw
U betaalt als werkgever over het loon van uw werknemers meestal de werkgeversheffing Zorgverzekeringswet (Zvw). In bepaalde gevallen betaalt de werknemer zelf een inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, die u dan inhoudt op zijn/haar nettoloon. Dat geldt bijvoorbeeld voor pseudo-werknemers (opting-in), maar ook voor dga’s (bestuurders van hun BV) die niet verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. De heffing of bijdrage wordt berekend over het loon van de werknemer tot een bepaald maximum. Het maximumbijdrageloon is in alle gevallen gelijk en wordt in 2018 verhoogd naar € 54.614 (in 2017: € 53.701). Het percentage van de werkgeversheffing Zvw gaat in 2018 ook omhoog van 6,65% naar 6,90%. De werknemersbijdrage Zvw bedraagt in 2018 5,65%.

Schenken en erven

Erfbelasting besparen via jaarlijkse schenking aan uw kinderen
Bij uw overlijden wordt over uw vermogen erfbelasting geheven. Uw kinderen betalen 10% en/of 20% erfbelasting. Door tijdens uw leven gespreid te schenken, draagt u alvast vermogen over aan uw kinderen. Bij uw overlijden is er dan minder vermogen waarover zij erfbelasting verschuldigd zijn. Schenken levert dus in de toekomst een belastingbesparing op. U kunt fiscaal vriendelijk vermogen overhevelen naar uw kinderen door jaarlijks een bedrag van € 5.320 (in 2017) vrijgesteld te schenken. Uw kinderen hoeven dan geen aangiftebiljet voor de schenkbelasting in te dienen. Als u meer schenkt, moet over het meerdere schenkbelasting worden betaald. In dat geval moeten uw kinderen uiterlijk vóór 1 maart 2018 een aangiftebiljet voor de schenkbelasting hebben ingediend.

Eenmalig vrijgesteld schenken aan uw kinderen
Naast de jaarlijkse schenking kunt u uw kinderen (of hun partners) als zij ouder zijn dan 18 en jonger dan 40 jaar, ook eenmalig een hoger bedrag vrijgesteld schenken. Deze eenmalige schenking bedraagt € 25.526 (in 2017). Daarnaast kunt u aan deze kinderen – in plaats van de eenmalig verhoogde schenking – ook een extra verhoogde vrijgestelde schenking doen van € 53.176 (in 2017). Zij moeten de schenking dan wel gebruiken voor een dure studie. Voor deze schenking is een notariële schenkingsakte nodig. Tot 1 januari 2017 gold deze extra verhoogde schenkingsvrijstelling ook voor de eigen woning. Deze verhoogde vrijstelling is echter sindsdien verhoogd naar € 100.000 (zie hierna onder 4.3).

Digitaal aangifte doen
Voor de eenmalig vrijgestelde schenkingen moet uw kind een schenkingsaangifte indienen, waarin hij/zij een beroep doet op de eenmalige vrijstelling. Uw kind moet die aangifte vóór 1 maart 2018 indienen. Dat kan inmiddels ook digitaal door met de DigiD in te loggen op MijnBelastingdienst.

Uw vrijgestelde schenking voor de eigen woning belastingvrij aanvullen in 2017?
Dat kan, maar niet altijd. De begunstigde kan per schenker eenmaal in zijn leven gebruikmaken van één van de vrijstellingsregelingen voor de eigen woning. Heeft u in 2015 of 2016 voor het eerst gebruik gemaakt van de eenmalige verhoogde schenkingsvrijstelling voor de eigen woning? In dat geval kunt u die in 2017 of 2018 nog met maximaal € 46.824 aanvullen. Dat geldt ook als u de vrijstelling voor de eigen woning in 2015 of 2016 niet maximaal heeft benut. Schonk u uw kind (of diens partner) in 2016 bijvoorbeeld € 30.000 met toepassing van de vrijstelling in plaats van het maximum van € 53.016? U kunt dan dus niet maximaal € 70.000 aanvullen, maar slechts € 46.824.

Let op
Uw kind (of zijn/ haar partner) moet ook op het moment van de aanvulling voldoen aan de leeftijdseis. Dat wil zeggen dat hij of zij ouder dan 18 jaar is maar jonger dan 40 jaar.

Samenloop met verhoogde vrijstelling 2010-2014
Heeft u in de periode 2010 tot en met 2014 al gebruik gemaakt van een verhoogde vrijstelling (al dan niet voor de eigen woning)? In dat geval kunt u geen gebruik meer maken van de verhoogde vrijstelling, ook niet als u toen slechts een deel van de vrijstelling heeft benut.

Gespreid vrijgesteld schenken voor de eigen woning
Sinds 1 januari 2017 mag u ook gespreid vrijgesteld schenken voor de eigen woning aan uw kind (of zijn/haar partner), mits uw kind (of de partner) aan de leeftijdsgrens voldoet. U kunt de schenking dan spreiden over 3 aansluitende kalenderjaren. Schenkt u bijvoorbeeld in 2017 € 30.000 aan uw kind, dan mag u de resterende (maximaal) € 70.000 over 2018 en 2019 spreiden.

Let op
Uw kind krijgt de schenkingsvrijstelling niet automatisch. Hij/zij zal er om moeten verzoeken in de schenkingsaangifte over het jaar van de schenking. Uw kind moet de schenkingsaangifte uiterlijk indienen vóór 1 maart volgend op het jaar van de schenking.

Verdeling bij huwelijkse voorwaarden na 1 januari 2018
Als u nu trouwt of een geregistreerd partnerschap aangaat en u regelt onderling verder niets, dan bent u gehuwd/geregistreerd in algehele gemeenschap van goederen. Dat wil zeggen dat vanaf dat moment al uw bezittingen en schulden worden samengevoegd en u ieder voor de helft daarvan eigenaar bent. U bent geen schenkbelasting verschuldigd over het vermogen dat hierbij onderling mogelijk overgaat tussen u en uw partner. Op 1 januari 2018 wijzigt het huwelijksvermogensrecht. Trouwt u vanaf die datum en regelt u onderling verder niets, dan trouwt u op basis van een beperkte gemeenschap van goederen. Dit komt er in beginsel op neer dat de gemeenschap van goederen wordt beperkt tot het vermogen dat u en uw partner opbouwen tijdens het huwelijk (partnerschap). Bezittingen en schulden die u elk had voor het huwelijk blijven privébezit. Dat geldt ook voor schenkingen en erfenissen die u ontvangt tijdens het huwelijk.

Schenk- of erfbelasting bij aangaan of wijzigen huwelijkse voorwaarden gaat niet door
Wilt u niet op basis van de beperkte gemeenschap van goederen trouwen (registreren), dan kunt u vanaf 1 januari 2018 daar bij huwelijkse voorwaarden van afwijken. Zo kunt u bij huwelijkse voorwaarden regelen dat u toch op basis van algehele gemeenschap van goederen getrouwd bent. Maar ook een andere verdeling is mogelijk. In het Belastingplannen voor 2018 waren aan het aangaan (of wijzigen) van huwelijkse voorwaarden (of een notarieel samenlevingscontract) gevolgen verbonden  voor de schenk- en erfbelasting. Deze maatregel is echter geschrapt tijdens de behandeling bij de Tweede Kamer.

Stel fiscaal partnerschap voor schenk- en erfbelasting veilig
U kunt voor de schenk- en erfbelasting maar met één andere persoon fiscaal partner zijn. Naast gehuwden en geregistreerden kunnen ook samenwoners fiscaal partner van elkaar zijn. Dat bent u in ieder geval als u een notarieel samenlevingscontract met wederzijdse zorgplicht heeft of langer dan 5 jaar samenwoont. U moet bovendien gezamenlijk staan ingeschreven op hetzelfde adres in de gemeentelijke basisadministratie (GBA). Woont u korter dan 5 jaar samen, dan kunt u fiscaal partner van elkaar zijn door een notarieel samenlevingscontract met wederzijdse zorgplicht te laten opmaken en u beiden in te schrijven op hetzelfde adres in de GBA. U wordt dan voor de erfbelasting fiscaal partner van elkaar, zodra het samenlevingscontract 6 maanden heeft bestaan én u ten minste 6 maanden gezamenlijk stond ingeschreven in de GBA. Voor de schenkbelasting is die termijn zelfs 2 jaar. Bent u eenmaal fiscaal partner van elkaar, dan heeft uw partner bij uw overlijden recht op de partnervrijstelling van maximaal € 636.180 (in 2016) en op indeling in tariefgroep 1 (tarief: 10%/ 20%).

Benoem elkaar tot erfgenaam in een testament
Woont u ongehuwd (of ongeregistreerd) samen en heeft u geen testament waarin u elkaar tot erfgenaam benoemt? U doet er dan verstandig aan om dit alsnog te laten opmaken. Ook als u al vele jaren samenwoont. U heeft immers niets aan de ruime vrijstelling en gunstige tarieven als u niet van elkaar erft! In tegenstelling tot gehuwden (geregistreerden) bent u als samenwoners niet automatisch erfgenaam van elkaar. Dat bent u pas als u elkaar daartoe in een testament heeft benoemd.

Belastingvrij schenken aan uw kleinkinderen
U kunt jaarlijks belastingvrij aan uw kleinkinderen schenken. In 2017 kan dat tot een jaarlijks bedrag van € 2.129. Vanaf 2017 kunt u ook een hogere vrijgestelde schenking doen aan uw kleinkind tot maximaal € 100.000. Uw kleinkind moet de schenking dan wel voor de eigen woning gebruiken of een eigenwoningschuld of restschuld ermee aflossen en aan de leeftijdseis voldoen (zie hiervoor 4.3).

Kies de juiste WOZ-waarde voor de geërfde woning
Als u een woning erft, moet u de waarde van die woning in beginsel op de WOZ-waarde waarderen van het jaar van overlijden. De peildatum van die WOZ-waarde is 1 januari van het jaar vóór het overlijdensjaar. U mag ook kiezen voor de WOZ-waarde op de peildatum van het overlijdensjaar. Daar moet u in de aangifte voor de erfbelasting dan wel expliciet om verzoeken. Bij een overlijden in 2017 wordt de waarde van de geërfde woning zonder verzoek dus op de WOZ-waarde 2017 vastgesteld, met als waardepeildatum 1 januari 2016. Mét verzoek wordt de WOZ-waarde van 2018 gehanteerd, met de waardepeildatum van 1 januari 2017. Dit kan u erfbelasting schelen.

Tip
Erfgenamen kunnen ook een nieuwe WOZ-beschikking aanvragen.

Omzetbelasting


Einde landbouwregeling

Bent u landbouwer, veehouder, tuinbouwer of bosbouwer? Dan maakt u nu mogelijk gebruik van de landbouwregeling in de omzetbelasting. Die regeling wordt op 1 januari 2018 afgeschaft. Dat heeft gevolgen voor u en uw afnemers. U bent na afschaffing van de landbouwregeling over uw leveringen en diensten btw verschuldigd. Dat zal meestal 6% zijn (en wordt mogelijk 9%). De keerzijde is dat u recht krijgt op aftrek van de btw die aan u in rekening is gebracht. Maar het vervallen van de landbouwregeling betekent ook dat u:

  • een btw-administratie moet gaan bijhouden; en
  • btw-facturen moet uitreiken aan uw afnemers; en
  • geen ondertekende verklaringen aan uw afnemers meer hoeft te verstrekken; en
  • periodiek btw-aangiften moet indienen bij de Belastingdienst.

Vanaf 1 januari 2018 wordt u btw-plichtig en heeft u btw-aftrekrecht. Dit betekent ook dat u de niet afgetrokken btw die u heeft betaald op investeringsgoederen die u vóór 1 januari 2018 heeft aangeschaft, mogelijk alsnog kunt aftrekken. Daarvoor bestaan de herzieningsregels.

Herzieningsregels
De herzieningsregels houden in dat er voor onroerende en roerende zaken waarop u afschrijft, na het jaar van aanschaf en ingebruikname nog een herzieningsperiode volgt van respectievelijk 9 en 4 jaar. U moet in die periode aan ieder jaar respectievelijk 1/10e en 1/5e gedeelte van de bij aanschaf betaalde btw toerekenen. Vervolgens moet u aan het einde van ieder jaar beoordelen in hoeverre u recht heeft op aftrek van dat gedeelte van de btw. Dat hangt af van de mate waarin u belaste of vrijgestelde prestaties verricht. Alleen voor zover u belaste prestaties verricht, heeft u immers btw-aftrekrecht. Als uit de herzieningsberekening blijkt dat u te veel of te weinig btw in aftrek heeft gebracht, dan moet u het verschil op de aangifte van het laatste tijdvak van het boekjaar aangeven.

Maar nu uw situatie. Heeft u steeds de landbouwregeling toegepast? De herzieningsregels hebben dan voor u tot nu toe geen gevolgen gehad. U had immers geen recht op btw-aftrek, omdat u over uw leveringen en diensten geen btw verschuldigd was. Nu u op 1 januari 2018 btw-plichtig wordt en u btw-aftrekrecht krijgt, zijn deze herzieningsregels wel van belang voor u. Er zijn voor het claimen van de btw-aftrek twee situaties te onderscheiden:

1. de aftrek van betaalde btw op vóór 1 januari 2018 aangeschafte én in gebruik genomen investeringsgoederen, kunt u voor de resterende herzieningsperiode in één keer claimen in heel 2018;
2. de aftrek van betaalde btw op vóór 1 januari 2018 aangeschafte maar op die datum nog niet in gebruik genomen investeringsgoederen, kunt u volledig in één keer claimen in heel 2018, maar uiterlijk in het belastingtijdvak waarin u de goederen in gebruik neemt.

In beide gevallen gelden vanaf 1 januari 2018 dan wel weer de normale herzieningsregels, zoals we hiervoor hebben beschreven.

Geen forfaitaire aftrek meer voor uw afnemers
Doordat u recht op aftrek van btw krijgt, rekent u per saldo geen niet aftrekbare btw meer door aan uw afnemers. Een opstapeling van doorberekende btw vindt daardoor niet meer plaats. Daarom vervalt per 1 januari 2018 ook de tegemoetkoming die uw afnemers hiervoor krijgen (een forfaitair aftrekrecht van 5,4% over de in rekening gebrachte bedragen).

Tip
Vanaf 1 januari 2018 moet u periodiek btw-aangiften indienen en kunt u btw-aftrek claimen. Uw administratie moet hierop worden ingericht. Bespreek daarom met uw adviseur welke aanpassingen nodig zijn en zorg dat u op tijd klaar bent. Uw adviseur kan u ook helpen bij het claimen van de btw-aftrek.

Aanscherping definitie geneesmiddel
Bent u ondernemer en levert u gezondheidsproducten inclusief cosmetische, reinigende en verzorgende producten? In dat geval past u nu mogelijk het 6%-tarief toe omdat deze producten als  geneesmiddelen kunnen worden aangemerkt. Het toepassingsbereik van het 6%-tarief voor geneesmiddelen is immers, na een uitspraak van de Hoge Raad in november 2016, verruimd naar andere producten, zoals tandpasta en zonnebrandolie. Deze ruime toepassing is niet gewenst dus wordt de definitie van geneesmiddel beperkt tot producten waarvoor een (parallel)handelsvergunning is afgegeven op grond van de Geneesmiddelenwet, of als die daarvan uitdrukkelijk zijn vrijgesteld.

Vraag btw op onbetaalde vorderingen van vóór 1 januari 2017 terug
Heeft u vorderingen die nog niet zijn betaald en waarvan de uiterste betaaldatum vóór 1 januari 2017 lag? In dat geval worden deze vorderingen op 1 januari 2018 als oninbaar aangemerkt. De btw over deze oninbare vorderingen kunt u terugvragen in de eerste btw-aangifte van 2018.

Let op
Mocht uw debiteur later toch nog (een deel) van uw factuur betalen, dan moet u alsnog de btw in de eerstvolgende btw-aangifte aangeven en betalen.

Herrekening en herziening van voorbelasting
Gebruikt u goederen en diensten voor zowel belaste prestaties als vrijgestelde prestaties? Er is dan sprake van gemengd gebruik. De voorbelasting die op deze goederen en diensten drukt, is niet volledig aftrekbaar. Aan het eind van het jaar moet u daarom een herrekening en/of een herziening van voorbelasting uitvoeren. Het resultaat geeft u aan in de aangifte over het laatste tijdvak van 2017.

Btw-correctie privégebruik auto van de zaak
Het privégebruik van de auto van de zaak moet u als werkgever of ondernemer als fictieve dienst belasten, als u of uw werknemer hiervoor geen vergoeding betaalt. Het woon-werkverkeer wordt overigens voor de btw tot het privégebruik gerekend. Als u of uw werknemer geen vergoeding betaalt voor het privégebruik, maar er is wel een sluitende rittenadministratie bijgehouden, dan bedraagt de btw 21% over de uitgaven voor de werkelijk gereden privékilometers. Betaalt u of uw werknemer geen vergoeding voor privégebruik en een sluitende rittenadministratie ontbreekt, dan wordt de btw forfaitair gesteld op 2,7% (in enkele gevallen 1,5%) van de catalogusprijs (incl. bpm en btw) van de auto. De btw berekent u naar rato van het aantal dagen dat de auto (mede) voor privédoeleinden ter beschikking heeft gestaan. Betaalt u of uw werknemer wel een vergoeding voor het privégebruik, dan is deze vergoeding in beginsel tegen 21% btw belast. U geeft de btw aan in het laatste tijdvak van het kalenderjaar.

Ook btw-correctie bij eigen bijdrage
De btw-correctie vindt ook plaats wanneer u of uw werknemer een vergoeding voor het privégebruik betaalt. Betaalt u of uw werknemer een onzakelijk lage vergoeding, dan moet die vergoeding ten minste op de normale zakelijke waarde worden gesteld. Dat is het bedrag dat u als werkgever of ondernemer ‘in de markt’ zou moeten betalen om de auto in gebruik te geven aan een werknemer of aan uzelf. Die waarde is niet altijd even eenvoudig vast te stellen. Daarom mag u ook een evenredig deel van de aan het privégebruik toerekenbare totale kosten (waaronder de afschrijving) van de auto als grondslag voor de btw-correctie hanteren. Als u deze berekening niet kunt maken, omdat bijvoorbeeld het aantal privékilometers niet bekend is, dan mag u toch de forfaitaire btw-correctie van 2,7% of 1,5% over de catalogusprijs toepassen. De eigen bijdrage voor het privégebruik moet dan wel lager zijn dan de normale waarde.

BUA-correctie voor personeelsvoorzieningen
De aftrek van voorbelasting voor personeelsvoorzieningen wordt op grond van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting (BUA) uitgesloten, tenzij de kosten per werknemer onder het bedrag van € 227 per jaar zijn gebleven. U moet aan het einde van het jaar beoordelen of deze grens al dan niet wordt overschreden. Bij overschrijding van het bedrag is de btw op de kosten niet aftrekbaar. Tot de personeelsvoorzieningen behoren onder meer het personeelsfeest of bedrijfsuitje, kerstpakketten en dergelijke. Voor kantineverstrekkingen geldt een aparte regeling.

Overige belastingen en toeslagen

Maximum uurprijzen kinderopvang 2018
In 2018 stijgen ook de maximale uurprijzen waarvoor kinderopvangtoeslag kan worden gekregen. De maximale uurprijs voor dagopvang wordt € 7,45 (in 2017: € 7,18), voor buitenschoolse opvang € 6,95 (in 2017: € 6,69) en voor gastouderopvang € 5,91 (in 2017: € 5,75). Per kind kunt u maximaal 230 uur per maand kinderopvangtoeslag krijgen. U vraagt de kinderopvangtoeslag aan voor de opvangkosten die zijn gemaakt vanaf 3 maanden vóór de datum van de aanvraag. Wordt u of uw partner in 2018 werkloos, dan behoudt u gedurende zes maanden dezelfde aanspraak op kinderopvangtoeslag.

Let op
Gaat uw kind volgend jaar naar een peuterspeelzaal? Dan komt u ook voor de kinderopvangtoeslag in aanmerking als u aan de voorwaarden voldoet. Vanaf 1 januari 2018 worden peuterspeelzalen namelijk ook kinderdagverblijven.

Meer kindgebonden budget
Het kindgebonden budget is in tegenstelling tot de kinderbijslag wel inkomensafhankelijk. U komt voor het maximumbedrag in aanmerking als u een (gezamenlijk) inkomen heeft tot € 20.451. Daarboven neemt het budget af, naarmate uw inkomen stijgt. Ook uw gezamenlijk vermogen is van belang. U mag op 1 januari 2018 niet meer vermogen hebben dan € 143.415. Heeft u geen toeslagpartner? In dat geval ligt de vermogensgrens bij € 113.415. Ook het aantal kinderen en de leeftijd van die kinderen is van invloed op de hoogte van het budget. Het maximale bedrag voor het eerste kind wordt in 2018 verhoogd naar maximaal € 1.150 per jaar. Het bedrag voor het tweede kind wordt gaat omhoog naar maximaal € 900 per jaar. Voor ieder volgend kind komt er per kind € 295 bij. Zijn uw kinderen tussen de 12 en 15 jaar, dan wordt uw kindgebonden budget maximaal verhoogd met € 236. Zijn uw kinderen 16 of 17 jaar? Het kindgebonden budget wordt dan maximaal verhoogd met € 421.

Let op
Komt u in aanmerking voor het kindgebonden budget en bent u alleenstaand? In dat geval krijgt u vanaf volgend jaar extra budget van maximaal € 3.101 per jaar.

Vermogenstoets zorgtoeslag gaat omhoog
Om voor de zorgtoeslag in aanmerking te komen, mag uw inkomen niet te hoog zijn. Heeft u geen toeslagpartner? Uw inkomen mag dan niet hoger zijn dan € 28.720. Heeft u wel een toeslagpartner dan ligt de inkomensgrens bij € 35.996 voor u samen. Daarnaast mag u ook niet te veel vermogen hebben. De vermogenstoets voor de zorgtoeslag gaat per 1 januari 2018 omhoog naar € 83.415. Dat wil zeggen dat u volgend jaar geen recht op zorgtoeslag meer heeft bij een vermogen dat meer bedraagt dan het heffingsvrije vermogen (€ 30.000 per belastingplichtige) plus € 83.415. De vermogenstoets bedraagt nu € 82.752.

Tijdelijke verhoging kansspelbelasting
De kansspelbelasting wordt tijdelijk verhoogd van 29% naar 30,1%. Tijdelijk wil in dit verband zeggen gedurende zes maanden vanaf het tijdstip waarop de Wet op de kansspelen op afstand in werking treedt. Dat zal naar verwachting op 1 juli 2018 gebeuren. Het huidige tarief voor de kansspelbelasting kan dan per 1 januari 2019 weer terugkeren.

Pensioen

Pensioenrichtleeftijd omhoog naar 68 jaar
De pensioenrichtleeftijd gaat op 1 januari 2018 naar 68 jaar. Dit wil zeggen dat het pensioen wordt opgebouwd op basis van een pensioenleeftijd van 68 jaar. U zult uw pensioenregelingen hier waarschijnlijk op moeten aanpassen. Maar dat gaat niet zomaar. Het pensioen is een belangrijke arbeidsvoorwaarde van uw werknemers, waarin u niet eenzijdig wijzigingen kunt aanbrengen. U zult dus in overleg moeten treden met uw werknemers of hun vertegenwoordigers.

Afkoop DGA-pensioen; laatste kans op maximale korting
Wilt u gebruikmaken van de maximale afkoopkorting voor uw DGA-pensioen? Dan is het belangrijk dat u de afkoop nog in 2017 laat plaatsvinden. In 2017 is de korting 34,5%, maar bij afkoop in 2018 of 2019 is deze lager, namelijk 25% respectievelijk 19,5%. Er wordt geen mogelijkheid geboden om bij een afkoop na 31 december 2017 toch gebruik te maken van de korting van 34,5%. Wanneer – bijvoorbeeld als gevolg van overleg met de Belastingdienst – de afkoop pas na 31 december 2017 plaatsvindt, krijgt u dus een lagere korting.

Let op
Kiest u voor afkoop, dan bent u verplicht om de Belastingdienst hierover te informeren. Dat doet u met  een speciaal formulier.

Aangifte loonheffingen
De afkoopsom voor uw DGA-pensioen wordt gezien als loon uit vroegere dienstbetrekking. De bv die optreedt als pensioenuitvoerder, moet hierover loonbelasting inhouden en afdragen. Doet de pensioenuitvoerende bv nog geen aangifte loonheffingen? In dat geval hoeft zij geen verzoek te doen tot het uitreiken van een aangifte loonheffingen. Na inzending van het formulier over de afkoop zal de Belastingdienst zelf, eenmalig en digitaal, een aangifte loonheffingen uitreiken aan de pensioenuitvoerende bv. De pensioenuitvoerende bv is verplicht tot het doen van de aangifte loonheffingen. Was u bijvoorbeeld in het verleden in dienst bij een werk-bv die tevens het pensioen heeft toegezegd – maar de pensioenvoorziening is gevormd op de balans van de holding-bv – dan dient de holding-bv aangifte loonheffingen te doen.

Let op
Uw partner, maar ook uw (ex-)partners, moeten toestemming geven voor de afkoop. U moet voor elke (ex-)partner een apart formulier invullen en indienen bij de Belastingdienst.

Waardeoverdracht kleine pensioenen
Pensioenuitvoerders hebben op basis van de huidige wettelijke regels het recht om een zogenaamd klein pensioen (minder dan € 467,89 uitkering per jaar) af te kopen. Dat doen zij ook vaak om hoge administratiekosten te voorkomen. Daar komt een mogelijkheid bij. Pensioenuitvoerders mogen de waarde van een klein pensioen voortaan ook overdragen aan de pensioenuitvoerder van de nieuwe werkgever. Dat staat in de Wet waardeoverdracht kleine pensioenen dat inmiddels door de Eerste Kamer is aangenomen. Met name voor flexwerkers biedt dit een mogelijkheid om pensioen op te bouwen. Pensioenuitvoerders betalen nu het tijdens het tijdelijke contract opgebouwde kleine pensioen vaak uit. Voortaan kan het opgebouwde pensioen meeverhuizen naar de pensioenuitvoerder van de nieuwe werkgever.

Let op
Aan de waardeoverdracht wordt de eis gesteld dat er een nieuw dienstverband moet zijn. De zzp’er valt daardoor buiten de boot.

AOW-leeftijd omhoog
Volgend jaar gaat de AOW-leeftijd omhoog naar 66 jaar. Daarna komen daar in 2019, 2020 en 2021 elk jaar vier maanden bij. In 2021 bedraagt de AOW-leeftijd daardoor 67 jaar. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Voor dat jaar is de AOW-leeftijd vastgesteld op 67 jaar en drie maanden. Onlangs is besloten dat in 2023 de AOW-leeftijd niet wordt verhoogd en dus gelijk blijft aan de leeftijd voor 2022.

Sociale zekerheid en arbeidsrecht

Laat uw beschikking gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2018 controleren
Bent u werkgever? Dan heeft u onlangs van de Belastingdienst de beschikking gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) ontvangen. Het is verstandig om deze beschikking goed te (laten) controleren, want het komt regelmatig voor dat de beschikking niet goed wordt vastgesteld. Veel voorkomende fouten zijn onjuiste loonsommen waarop de premie is gebaseerd, maar ook foutieve bedragen van aan u toegerekende uitkeringen van (ex-)werknemers of het onterecht toerekenen van uitkeringslasten, bijvoorbeeld van werknemers die nooit bij u hebben gewerkt. Als de gegevens in de  beschikking niet kloppen, zorg dan dat u binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking bezwaar maakt.

Loonkostenvoordelen vervangen premiekortingen
Vanaf 1 januari 2018 kunt u subsidies – loonkostenvoordelen (LKV’s) – krijgen voor het aannemen van mensen die een uitkering ontvangen of voor een werknemer die u na 2 jaar ziekte in een passende functie wilt laten werken. Deze LKV’s vervangen de premiekortingen die u nu kunt ontvangen voor het in dienst nemen van deze mensen. Ontvangt u nu premiekortingen? Die kunt u dan in 2018 laten omzetten in LKV’s. Maar u moet daarvoor wel tijdig actie ondernemen.

Wat moet u doen als u nu premiekortingen toepast?
Bestaat het dienstverband met uw werknemer op 1 januari 2018 nog en is de maximale duur van de premiekorting(en) nog niet verstreken? Of heeft u eind 2017 iemand in dienst genomen, voor wie recht op premiekorting bestaat maar die korting is nog niet toegepast? In die gevallen moet u enkele acties (laten) uitvoeren in uw salarisadministratie om te zorgen dat de premiekortingen voor de resterende duur worden omgezet in de LKV’s. Die acties zijn o.a. het juist en tijdig verwerken van de premiekortingen in de laatste loonaangifte 2017 en van de LKV’s in de loonaangiften van 2018, het controleren van wijzigingen in uw bedrijf, zoals het controleren van de arbeidscontracten van de betreffende werknemer(s).

Tijdig correctieberichten indienen
U heeft voor het behoud van de resterende duur van premiekortingen 2017 in de vorm van LKV’s 2018 tot 1 mei 2018 de tijd om correctieberichten op de loonaangiften in te dienen. Deze termijn kan uiterlijk met twee maanden worden verlengd. Ook krijgt u – anders dan in het systeem van LKV’s – geen overzicht van de lopende premiekortingen 2017. Redenen genoeg om tijdig de juiste acties te ondernemen.

Voor welke werknemers?
Er zijn vanaf 1 januari 2018 vier groepen LKV’s, namelijk voor:

  1. een werknemer van 56 jaar of ouder;
  2. een arbeidsgehandicapte werknemer;
  3. iemand uit de doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden; en
  4. het herplaatsen van een arbeidsgehandicapte werknemer met een WIA-, WAO-, WAZ- of Wajong-uitkering.

Bij de groepen 1, 2, en 3 gaat het om werknemers die u in dienst wilt nemen en bij groep 4 gaat om iemand die al bij u werkte en die na 2 jaar ziekte bij u weer (geheel of deels) aan het werk is gegaan.

De hoogte en duur van de tegemoetkoming
De hoogte van de LKV’s bij werknemers uit de groepen 1, 2 en 4 bedraagt € 3,05 per verloond uur tot maximaal € 6.000 per jaar per werknemer, gedurende maximaal 3 jaren bij de groepen 1 en 2 en gedurende maximaal 1 jaar bij groep 4. Heeft u voor deze werknemers nu premiekortingen, dan bedragen die in 2017 maximaal € 7.000 per jaar. Vanaf 1 januari 2018 worden deze premiekortingen omgezet in LKV’s tot een maximum van € 6.000 per jaar per werknemer.  Bij groep 3 is de hoogte van het LKV € 1,01 per verloond uur tot maximaal € 2.000 per jaar per werknemer gedurende maximaal 3 jaren. De premiekorting voor deze groep over 2017 van maximaal € 2.000 per jaar wordt omgezet in LKV’s tot een maximum van € 2.000.

Wat moet u doen om LKV’s te krijgen?
Vanaf 1 januari 2018 snel en tijdig de juiste acties ondernemen. De werknemer moet zijn geregistreerd in het doelgroepregister van het UWV. Daartoe moet de werknemer (of u met een door de werknemer verleende machtiging) een doelgroepverklaring aanvragen bij het UWV binnen 3 maanden na de datum van indiensttreding of de werkhervatting na 2 jaren ziekte. Heeft u die verklaring van het UWV, dan moet u vervolgens de juiste gegevens van de werknemer over het dienstverband en de doelgroepverklaring zo spoedig mogelijk – maar uiterlijk in januari 2019 – aan uw salarisadministrateur verstrekken. Hij/zij kan dan over elk loontijdvak tijdig het juiste LKV aanvragen via het indienen van loonaangiften of correcties op al ingediende loonaangiften. Op het doen van een onjuiste aanvraag of het verstrekken van onjuiste gegevens staat een boete van € 1.319 per verzuim.

Let op!
Is er niet tijdig een doelgroepverklaring aangevraagd, dan heeft u geen recht op LKV’s. Dit kunt u achteraf niet herstellen. Hoe u een doelgroepverklaring kunt aanvragen, vindt u op de website van het UWV.

Uitbetaling LKV’s over 2018
Uiterlijk op 15 maart 2019 krijgt u van de Belastingdienst onder verantwoordelijkheid van het UWV ‒ op basis van de loonaangiften over 2018, inclusief uiterlijk in januari 2019 ingediende correcties ‒ een voorlopig overzicht. Daarin staat op welke LKV’s u recht heeft. U kunt eventuele fouten tot en met 1 mei 2019 (laten) herstellen door correctieberichten in te sturen. Daarna krijgt u uiterlijk 1 augustus 2019 een beschikking van de Belastingdienst. Dit gebeurt op basis van de loonaangiften, zoals die op 1 mei 2019 in de polisadministratie staan. Uiterlijk 12 september 2019 betaalt de Belastingdienst de LKV’s aan u uit na verrekening met eventueel openstaande belastingschulden.

In het geval u in 2017 premiekortingen toepast en u heeft tijdig de juiste acties laten uitvoeren, worden de LKV’s over 2018 niet meer als premiekortingen in mindering gebracht op het premieloon, maar in 2019 als subsidie aan u uitbetaald door de Belastingdienst.

Is uw administratie klaar voor het jeugd-LIV?
Sinds 1 juli 2017 is de leeftijdsgrens voor het volwassen wettelijk minimumloon verlaagd van 23 naar 22 jaar en is het wettelijk minimumloon voor 18- tot en met 21-jarigen verhoogd. In 2018 kunt u recht hebben op een compensatie – het jeugd-LIV – voor deze laatstgenoemde groep. LIV staat voor het Lage-Inkomensvoordeel: een voordeel dat u voor werknemers uit de twee laagste inkomensgroepen kunt krijgen. Het jeugd-LIV hoeft u niet aan te vragen. Deze compensatie wordt namelijk vastgesteld aan de hand van de ingediende loonaangiften. Daarom moet u ervoor zorgen dat uw administratie op orde is en dat u tijdig de juiste gegevens aanlevert bij uw salarisadministrateur. Als u twijfelt of uw administratie voldoet, laat deze dan controleren en waar nodig corrigeren.

Let op
Er staat op het aangeven van onjuiste gegevens in de loonaangiften bovendien een boete van € 1.319 per verzuim per werknemer. Des te meer reden om te zorgen dat uw administratie correcte en volledige informatie bevat.

De bedragen van de jeugd-LIV 2018 zijn:

Leeftijd op 31 december 2017 compensatie per uur maximum per kalenderjaar
21 jaar                                 € 1,58                                  € 3.286,40
20 jaar                                 € 1,02                                  € 2.121,60
19 jaar                                 € 0,28                                  €    582,40
18 jaar                                 € 0,23                                  €    478,40

Eenmalige kans om eerder terug te keren naar eigenrisicodragen
Was u in 2016 alleen eigenrisicodrager voor de WGA, dan was u dat alleen voor uw vaste werknemers. Had u ook flexibele werknemers in dienst, dan moest u om vanaf 1 januari 2017 eigenrisicodrager voor de WGA te kunnen blijven, ook voor hen eigenrisicodrager voor de WGA worden. Uw verzekeraar, bank of tussenpersoon moest daarvoor uiterlijk 31 december 2016 een nieuwe garantieverklaring naar de Belastingdienst sturen. Is dat toen niet of niet tijdig gebeurd, dan ging u ongewild verplicht over naar het publieke bestel. Zonder nadere maatregelen zou u pas over 3 jaar terug kunnen naar het eigen risico dragen voor de WGA. Er is nu voorgesteld om u onder (strenge) voorwaarden eenmalig de gelegenheid te bieden om per 1 juli 2018 al weer eigenrisicodrager te worden voor het gehele WGA-risico (WGA-vast en WGA-flex). U moet daartoe uw aanvraag uiterlijk op 1 april 2018 bij de Belastingdienst hebben ingediend.

Tip
Om van deze eenmalige mogelijkheid gebruik te kunnen maken, moet u wel snel actie ondernemen. Voordat u uw aanvraag bij de Belastingdienst kunt indienen, moet u namelijk eerst beschikken over de bewijstukken die u moet verzamelen met hulp van uw (voormalige) verzekeraar. En dat kost tijd.

Volgend jaar no-risk polis oudere werknemer
U kunt vanaf volgend jaar gebruikmaken van een no-riskpolis voor het in dienst nemen van werklozen van 56 jaar of ouder, die langer dan een jaar een WW-uitkering hebben. Wordt de werknemer langdurig ziek, dan neemt het UWV het ziekengeld van u over.

Moet uw BV een arbocontract sluiten?
Stel, u heeft een BV en u bent directeur-grootaandeelhouder en enig werknemer van uw BV. Is uw BV dan verplicht om een contract met een arbodienst te sluiten? Hoewel de Hoge Raad u als ‘werknemer’ ziet voor het arbeidsrecht, ziet het ministerie van SZW u als ‘zelfstandige’. U bent daarom niet verplicht om een contract met een arbodienst te sluiten.

Geen korting op uitkering alleenstaande AOW-er die samenwoont met kind
Bent u alleenstaande AOW-er en woont u samen met uw kind? Dan ontvangt u een AOW-uitkering van 70% van het nettominimumloon. Lange tijd zag het ernaar uit dat uw uitkering zou worden verlaagd naar 50% van het nettominimumloon. De regering vond namelijk dat u – net als bij gehuwde en samenwonende AOW-ers – de woonkosten kunt delen, omdat u samenwoont met uw kind. De regering heeft echter besloten om deze kostendelersnorm toch niet in te voeren.

Hogere bovengrens transitievergoeding
De hoogte van de transitievergoeding hangt af van de duur van het dienstverband en het maandloon van de ontslagen werknemer. Er geldt wel een maximum van € 77.000 of een jaarloon als dat hoger is. Het maximum gaat volgend jaar omhoog naar € 79.000.